SK ShadowingKorean

Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden

Page 18 of 50 · Choose the right translation

▶ Watch on YouTube

  1. Is alles in orde?

    • Who's that man?Wie is die man?
    • Do you live here?Woont u hier?
    • Don't you have a pen?Heb je geen pen?
  2. Is je mama thuis?

    • Have you known him for a long time?Ken je hem al lang?
    • Where are the apples?Waar zijn de appels?
    • Are you lost?Bent u verdwaald?
  3. Het kost te veel.

    • Don't forget about us!Vergeet ons niet!
    • He stopped the car.Hij stopte de auto.
    • Yes, I'm coming.Ja, ik kom.
  4. Het gaat regenen.

    • I didn't hear you.Ik hoorde je niet.
    • He didn't say a word.Hij zei geen woord.
    • I am not a teacher.Ik ben geen leraar.
  5. Het is niet duur.

    • The plan will work out.Het plan zal werken.
    • I never give up.Ik geef nooit op.
    • Air those shoes!Lucht die schoenen!
  6. Het was erg koud.

    • Yes, I'm coming.Ja, ik kom.
    • Let me go!Laat me gaan!
    • He is washing your car.Hij wast je auto.
  7. Het wordt minder.

    • He left just now.Hij is net gegaan.
    • He is eight.Hij is acht.
    • He is the eldest.Hij is de oudste.
  8. Het is vrij koud.

    • You are in my way.Je staat in de weg.
    • It's one o'clock.Het is een uur.
    • We kept them quiet.We hielden hen stil.
  9. Waar was je toch?

    • Where is my newspaper?Waar is mijn krant?
    • Can I help you?Kan ik u helpen?
    • Where is my dog?Waar is mijn hond?
  10. Hou de deur open.

    • This is his house.Dit is zijn huis.
    • It is snowing now.Nu sneeuwt het.
    • I call him Mike.Ik noem hem Mike.
  11. Laat me met rust!

    • He is washing your car.Hij wast je auto.
    • Do your best.Doe je best.
    • I am already old.Ik ben al oud.
  12. Laat me met rust.

    • I like being alone.Ik ben graag alleen.
    • I love this game.Ik hou van dit spel.
    • She is my girlfriend.Ze is mijn vriendin.
  13. Mijn hond is wit.

    • He is washing your car.Hij wast je auto.
    • Open your eyes.Doe je ogen open.
    • She is very pretty.Ze is erg knap.
  14. Mijn zus is mooi.

    • You're in Europe!Je bent in Europa!
    • What a big dog!Wat een grote hond!
    • I have a lot of photos.Ik heb veel foto's.
  15. Mijn oom is boos.

    • I will.Ik zal het doen.
    • He is eight.Hij is acht.
    • My garden is small.Mijn tuin is klein.
  16. Natuurlijk ga ik.

    • The question is this.De vraag is dit.
    • I don't have any brothers.Ik heb geen broer.
    • Come if you can.Kom als ge kunt.
  17. Doe je ogen open.

    • Those are my trousers.Dat is mijn broek.
    • I forgot about that.Dat ben ik vergeten.
    • What a coincidence!Wat een toeval!
  18. Doe je mond open.

    • I know them.Ik ken hen.
    • I have two cars.Ik heb twee auto's.
    • This is my father.Dit is mijn vader.
  19. Lees wat je wilt.

    • My grandfather was a farmer.Mijn opa was boer.
    • It wasn't expensive.Het was niet duur.
    • The cat is black.De kat is zwart.
  20. Ze houdt van ijs.

    • She is close to sixty.Ze is bijna zestig.
    • This is my book.Dit is mijn boek.
    • Complete the sentence.Maak de zin af.
BackNext

영어 기초 · 공부법 →