ShadowingKorean

Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden

Pagina 39 van 50 · Kies de juiste vertaling

▶ Bekijk op YouTube

  1. Dit is mijn bureau.

    • Your nose is bleeding.Je neus bloedt.
    • The more, the better.Hoe meer, hoe beter.
    • Here is some water.Hier is wat water.
  2. Dit is mijn vriend.

    • I do not have any money.Ik heb geen geld.
    • They're already here.Ze zijn er al.
    • I like to swim.Ik hou van zwemmen.
  3. Dit was een leugen.

    • I'm not a doctor.Ik ben geen dokter.
    • I'll leave it up to you.Ik laat het aan jou.
    • Let me go!Laat me gaan!
  4. We kennen hem niet.

    • Everything is fine.Alles is in orde.
    • How nice of you!Wat aardig van u!
    • He left for no reason whatsoever.Hij ging zomaar weg.
  5. We moeten hier weg.

    • The price is right.De prijs is juist.
    • My grandfather was a farmer.Mijn opa was boer.
    • She is not here yet.Ze is nog niet hier.
  6. Wij spreken Japans.

    • I live in Tokyo.Ik woon in Tokio.
    • I have a dream.Ik heb een droom.
    • Jim opens the door.Jim opent de deur.
  7. Nou, laten we gaan.

    • I'm in India.Ik ben in India.
    • It's on the sofa.Het ligt op de sofa.
    • I forgot it.Ik ben het vergeten.
  8. We hebben het heet.

    • I swim every day.Ik zwem elke dag.
    • A fox came along.Een vos kwam langs.
    • I like cake.Ik hou van gebak.
  9. Wat een grote hond!

    • I love you.Ik hou van je.
    • You can believe me.Je mag me geloven.
    • The dog went away.De hond ging weg.
  10. Wat een verrassing!

    • This is her book.Dit is haar boek.
    • That is the bus stop.Dat is de bushalte.
    • You think too much.Je denkt te veel.
  11. Wat zult ge worden?

    • Is this yours?Is dit van jou?
    • What did you do?Wat heb je gedaan?
    • Is there a problem?Is er een probleem?
  12. Wat heb je gekocht?

    • What is he up to?Wat is hij van plan?
    • Do you work on Sundays?Werk je op zondag?
    • Do you believe me?Gelooft gij mij?
  13. Wat heb je gegeten?

    • Have you known him for a long time?Ken je hem al lang?
    • Do you live in the city?Woon je in de stad?
    • What is your age?Hoe oud bent u?
  14. Hoe heet die vogel?

    • Has something happened?Is er iets gebeurd?
    • Do you have a ticket?Heb je een kaartje?
    • When will you leave?Wanneer vertrekt ge?
  15. Wat gaan we worden?

    • Where's the bus stop?Waar is de bushalte?
    • How long does it take?Hoe lang duurt het?
    • Are you on Facebook?Zit je op Facebook?
  16. Wat is je antwoord?

    • Whose book is this?Wiens boek is dit?
    • Why were you late?Waarom was je laat?
    • Who is this guy?Wie is deze kerel?
  17. Waar kan ik bellen?

    • Where are you?Waar ben je?
    • Is he back already?Is hij al terug?
    • What is your dream?Wat is jouw droom?
  18. Waar doet het pijn?

    • What do I have?Wat heb ik?
    • Will you help them?Zal je hen helpen?
    • What did the boy say?Wat zei de jongen?
  19. Waar is mijn krant?

    • Shall I help you?Moet ik je helpen?
    • Do you have children already?Heeft u al kinderen?
    • Is there a problem?Is er een probleem?
  20. Waar ging hij heen?

    • When will you leave?Wanneer vertrekt ge?
    • How many CDs do you have?Hoeveel CD's heb je?
    • What did the boy say?Wat zei de jongen?
TerugVolgende

영어 기초 · 공부법 →