SK ShadowingKorean

Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden

Page 15 of 50 · Choose the right translation

▶ Watch on YouTube

  1. Hij is de oudste.

    • I'm going to have a rest.Ik ga wat rusten.
    • I'm a person.Ik ben een persoon.
    • I'll show you.Ik zal het u tonen.
  2. Hij wast je auto.

    • It's Monday.Het is maandag.
    • He comes from Geneva.Hij komt uit Genève.
    • He's not sick.Hij is niet ziek.
  3. Hij las erg veel.

    • The child is dirty.Het kind is vies.
    • I'm feeling tired.Ik voel me moe.
    • We already know each other.We kennen elkaar al.
  4. Hij wil het geld.

    • The child is dirty.Het kind is vies.
    • Live and learn.Leef en leer.
    • I have to go to the bathroom.Ik moet naar de wc.
  5. Hij was heel oud.

    • He is a thief.Hij is een dief.
    • Room for rent.Kamer te huur.
    • The paper is white.Het papier is wit.
  6. Hier zijn we dan.

    • The child is dirty.Het kind is vies.
    • I'm confused now.Nu ben ik in de war.
    • I need you.Ik heb je nodig.
  7. Hij is gek op je.

    • They're with me.Ze horen bij mij.
    • Your blood is red.Je bloed is rood.
    • He's already left.Hij is al weg.
  8. Hij is niet ziek.

    • I am going to study.Ik ga studeren.
    • The man is eating bread.De man eet brood.
    • She loves cats.Ze houdt van katten.
  9. Hoe groot is het?

    • Can I help you?Kan ik u helpen?
    • Do you love me?Hou je van me?
    • Is there a problem?Is er een probleem?
  10. Hoelang blijf je?

    • Do you know her father?Ken je haar vader?
    • Why is he here?Waarom is hij hier?
    • Where do you come from?Waar komt u vandaan?
  11. Hoeveel kost het?

    • Where is the problem?Wat is het probleem?
    • Where do you live now?Waar woont u nu?
    • How large is it?Hoe groot is het?
  12. Wat aardig van u!

    • It would be fun.Dat zou leuk zijn.
    • That is my school.Dat is mijn school.
    • I'm outta here.Ik ben hier weg.
  13. Ik ben professor.

    • That house is big.Dat huis is groot.
    • It doesn't matter.Het maakt niet uit.
    • It is cold today.Het is koud vandaag.
  14. Ik ben een vrouw.

    • That won't work.Dat zal niet werken.
    • I see a light.Ik zie een licht.
    • I want a lot more.Ik wil veel meer.
  15. Ik ben enig kind.

    • I voted for Ken.Ik heb Ken gekozen.
    • I don't drink water.Ik drink geen water.
    • I have to go to the bathroom.Ik moet naar de wc.
  16. Ik doe mijn best.

    • I'm bored at home!Ik verveel me thuis!
    • It's occupied.Het is bezet.
    • Never mind.Maakt niet uit.
  17. Ik eet een appel.

    • I'm going to start.Ik ga beginnen.
    • I don't have time now.Ik heb nu geen tijd.
    • The alarm clock is ringing.De wekker loopt af.
  18. Ik ben in Parijs.

    • It is cold outside.Het is koud buiten.
    • It falls on Sunday.Het valt op zondag.
    • This book is yours.Dit boek is van jou.
  19. Ik noem hem Mike.

    • What a surprise!Wat een verrassing!
    • I do not want any money.Ik wil geen geld.
    • The dog went away.De hond ging weg.
  20. Ik kom uit China.

    • We are students.We zijn studenten.
    • You don't have to eat.Je moet niet eten.
    • Stay here with us.Blijf hier bij ons.
BackNext

영어 기초 · 공부법 →