SK ShadowingKorean

Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden

Page 16 of 50 · Choose the right translation

▶ Watch on YouTube

  1. Ik wist dit niet.

    • I'm able to swim.Ik kan zwemmen.
    • Do your homework right now.Maak nu je huiswerk.
    • I was very tired.Ik was erg moe.
  2. Dat wist ik niet.

    • I get out of breath.Ik raak buiten adem.
    • I was at school.Ik was op school.
    • He sang a song.Hij zong een lied.
  3. Ik heb geen geld.

    • I can't talk.Ik kan niet spreken.
    • Someone's knocking at the door.Er klopt iemand aan.
    • We're not there yet.We zijn er nog niet.
  4. Ik wil geen geld.

    • I was in the mountains.Ik was in de bergen.
    • I lay on my bed.Ik lig op mijn bed.
    • You can do it.Je kunt het!
  5. Ik heb geen keus.

    • They eat a lot of rice.Ze eten veel rijst.
    • That cat is brown.Die kat is bruin.
    • He sat on the bed.Hij zat op het bed.
  6. Ik ken haar niet.

    • Something stinks here.Er stinkt hier iets.
    • I'm not well.Het gaat mij slecht.
    • That is not safe.Dat is niet veilig.
  7. Ik weet het niet.

    • I forgot about that.Dat ben ik vergeten.
    • Do what you like.Doe wat je wil.
    • Art for art's sake.Kunst om de kunst.
  8. Ik heb een droom.

    • Go to school.Ga naar school.
    • I'm not coming along.Ik kom niet mee.
    • I forgot about that.Dat ben ik vergeten.
  9. Ik heb hoofdpijn.

    • I don't have a choice.Ik heb geen keus.
    • I have to go to bed.Ik moet naar bed.
    • Well I never!Wel nu nog mooier!
  10. Ik heb een vraag.

    • The table is green.De tafel is groen.
    • I'm a doctor.Ik ben arts.
    • Art for art's sake.Kunst om de kunst.
  11. Ik heb een visum.

    • I'm an old man.Ik ben een oude man.
    • The sky is blue.De lucht is blauw.
    • The cat is black.De kat is zwart.
  12. Ik ben verkouden.

    • I can't swim.Ik kan niet zwemmen.
    • It's Monday.Het is maandag.
    • Complete the sentence.Maak de zin af.
  13. Ik heb geen tijd.

    • We are students.We zijn studenten.
    • I want to have my breakfast.Ik wil mijn ontbijt.
    • I will become angry.Ik zal boos worden.
  14. Ik moet naar bed.

    • Go back home.Ga terug naar huis.
    • Don't leave me by myself!Laat me niet alleen!
    • She's eating an apple.Zij eet een appel.
  15. Ik hoop van niet.

    • He sat on the bed.Hij zat op het bed.
    • Do as you want.Doe wat je wilt.
    • There was nobody there.Er was niemand daar.
  16. Ik ken jouw taal.

    • Don't you do this to me.Doe me dit niet aan.
    • It's too big.Het is te groot.
    • This watch is expensive.Dit horloge is duur.
  17. Ik hou van gebak.

    • The dog was dead.De hond was dood.
    • He is the eldest.Hij is de oudste.
    • I did not know this.Ik wist dit niet.
  18. Ik hou van talen!

    • I have a book.Ik heb een boek.
    • He is a thief.Hij is een dief.
    • I was very hungry.Ik had veel honger.
  19. Ik hou van talen.

    • Your blood is red.Je bloed is rood.
    • I like maths.Ik hou van wiskunde.
    • Get dressed quickly.Kleed je snel aan.
  20. Ik hou van sport.

    • He didn't know that.Hij wist dat niet.
    • I like maths.Ik hou van wiskunde.
    • Give me a chance.Geef mij een kans.
BackNext

영어 기초 · 공부법 →