SK ShadowingKorean

Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden

Page 26 of 50 · Choose the right translation

▶ Watch on YouTube

  1. Het spijt me zeer.

    • Don't be afraid.Wees niet bang.
    • I'm in India.Ik ben in India.
    • I don't know him.Ik ken hem niet.
  2. Ik ben nu erg moe.

    • They are sitting at the table.Ze zitten aan tafel.
    • I do not understand.Ik begrijp het niet.
    • I love movies.Ik houd van films.
  3. Is dit een rivier?

    • Are you free now?Heb je nu tijd?
    • Is your husband at home?Is je man thuis?
    • Whose son are you?Wiens zoon ben jij?
  4. Is dit jouw fiets?

    • Is he back already?Is hij al terug?
    • Are you not tired?Ben je niet moe?
    • What's wrong with it?Wat is er mis mee?
  5. Het is al elf uur.

    • He gets tired easily.Hij wordt snel moe.
    • This is what I thought.Dit is wat ik dacht.
    • This book is yours.Dit boek is van jou.
  6. Het was mijn fout.

    • The room was warm.De kamer was warm.
    • My name is Jack.Ik heet Jack.
    • That house is mine.Dat huis is van mij.
  7. Het was niet duur.

    • I think, therefore I am.Ik denk dus ik ben.
    • I feel guilty.Ik voel me schuldig.
    • I am a boy.Ik ben een jongen.
  8. Dat zou leuk zijn.

    • Knowledge is power.Kennis is macht.
    • I'll give you a ride.Ik neem je mee.
    • I have a question.Ik heb een vraag.
  9. Het is een geheim.

    • He has a car.Hij heeft een auto.
    • Well, let's go.Nou, laten we gaan.
    • I'll eat here.Ik zal hier eten.
  10. Het is al te laat.

    • What a surprise!Wat een verrassing!
    • You're in Europe!Je bent in Europa!
    • I play tennis once in a while.Ik tennis af en toe.
  11. Jack is niet hier.

    • Life is beautiful.Het leven is mooi.
    • Being crazy is healthy.Gek zijn is gezond.
    • We are the people.Wij zijn het volk.
  12. Jack is hier niet.

    • The soup's very hot.De soep is heet.
    • He's not in.Hij is niet binnen.
    • I come from Brazil.Ik kom uit Brazilië.
  13. Jim opent de deur.

    • It's cool today.Het is fris vandaag.
    • Tell me what you want.Zeg me wat je wil.
    • I don't want any sugar.Ik wil geen suiker.
  14. Kate is verkouden.

    • I don't know anything.Ik weet van niets.
    • That house is mine.Dat huis is van mij.
    • I don't have a pencil.Ik heb geen potlood.
  15. Ken wil een fiets.

    • I'm not afraid.Ik ben niet bang.
    • He is nasty.Hij is vies.
    • Don't you do this to me.Doe me dit niet aan.
  16. Dood het met vuur!

    • Now you're going too far.Nu ga je te ver.
    • Be quiet, all of you.Wees stil, allemaal.
    • You don't have to eat.Je moet niet eten.
  17. Laat mijn arm los!

    • The bicycle is mine.Dit is mijn fiets.
    • I have a stomachache.Mijn buik doet pijn.
    • It is going to rain.Het gaat regenen.
  18. Laat het touw los.

    • I'm glad to hear that.Dat hoor ik graag.
    • Something stinks here.Er stinkt hier iets.
    • I was captured.Ik werd gevangen.
  19. Laten we dat doen.

    • The sun is rising already.De zon gaat al op.
    • She had no money.Zij had geen geld.
    • Ken wants a bicycle.Ken wil een fiets.
  20. Het leven is mooi.

    • Tell me about it.Spreek mij daarover.
    • I saw five men.Ik zag vijf mannen.
    • This is not a sentence.Dit is geen zin.
BackNext

영어 기초 · 공부법 →