Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden
Page 27 of 50 · Choose the right translation
Het leven is kort.
I'm confused now.Nu ben ik in de war.Don't say that.Zeg dat niet.This car is fast.Deze auto is snel.
Zo vader, zo zoon.
Come if you can.Kom als ge kunt.He had one daughter.Hij had en dochter.I have ten pens.Ik heb tien pennen.
Haast je langzaam.
He wears glasses.Hij draagt een bril.She gets up early.Ze staat vroeg op.We should get out of here.We moeten hier weg.
Mijn opa was boer.
That girl is good-looking.Dat meisje is knap.The tea is hot.De thee is warm.I think, therefore I am.Ik denk dus ik ben.
Mijn huis is hier.
The paper is white.Het papier is wit.She will come soon.Ze zal straks komen.I neither smoke nor drink.Ik rook noch drink.
Mijn naam is Wang.
It's too expensive!Dat is te duur!I'm very short.Ik ben erg kort.I like to travel.Ik hou van reizen.
Mijn broek is nat.
That is the bus stop.Dat is de bushalte.That's the way the cookie crumbles.Dat is het leven.The man is eating bread.De man eet brood.
Moet ik je helpen?
Do you feel sick?Voel je je ziek?Do you believe me?Gelooft gij mij?Am I in London?Ben ik in Londen?
Ze werd heel ziek.
I am a teacher, too.Ik ben ook leraar.He was very tired.Hij was erg moe.You couldn't choose.Je kon niet kiezen.
Ze kookt voor hem.
Don't be afraid.Wees niet bang.The sun is rising already.De zon gaat al op.What a coincidence!Wat een toeval!
Ze staat vroeg op.
The price is right.De prijs is juist.She's eating an apple.Zij eet een appel.Turn it off.Zet het af.
Ze had geen broer.
It's now or never.Nu of nooit!The clock is fast.De klok loopt voor.He is very learned.Hij is heel geleerd.
Zij had geen geld.
She is five years old.Ze is vijf jaar.He sang a song.Hij zong een lied.We are hungry.We hebben honger.
Ze liet haar gaan.
We have two ears.We hebben twee oren.I'm not afraid.Ik ben niet bang.I don't have time now.Ik heb nu geen tijd.
Ze woont in Kyoto.
I'm in danger.Ik ben in gevaar.It's the big one.Het is de grote.Oh, I was ill.Oh, ik was ziek.
Zij eet een appel.
He sat on the bed.Hij zat op het bed.He's always busy.Hij is altijd bezig.Take a look at this.Kijk eens naar dit.
Steek je tong uit.
It was just as I thought.Ik wist het wel.The dog is white.De hond is wit.How fast she is running!Hoe snel ze loopt!
Zeg me wat je wil.
Turn it off.Zet het af.Please take a seat.Gaat u zitten.I'm in the car.Ik ben in de auto.
Bij voorbaat dank.
She needs help.Ze heeft hulp nodig.It would be fun.Dat zou leuk zijn.I forgot it.Ik ben het vergeten.
Dat boek is klein.
It costs too much.Het kost te veel.This is the boy.Dit is de jongen.I rather like him.Ik mag hem wel.