SK ShadowingKorean

Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden

Page 27 of 50 · Choose the right translation

▶ Watch on YouTube

  1. Het leven is kort.

    • I'm confused now.Nu ben ik in de war.
    • Don't say that.Zeg dat niet.
    • This car is fast.Deze auto is snel.
  2. Zo vader, zo zoon.

    • Come if you can.Kom als ge kunt.
    • He had one daughter.Hij had en dochter.
    • I have ten pens.Ik heb tien pennen.
  3. Haast je langzaam.

    • He wears glasses.Hij draagt een bril.
    • She gets up early.Ze staat vroeg op.
    • We should get out of here.We moeten hier weg.
  4. Mijn opa was boer.

    • That girl is good-looking.Dat meisje is knap.
    • The tea is hot.De thee is warm.
    • I think, therefore I am.Ik denk dus ik ben.
  5. Mijn huis is hier.

    • The paper is white.Het papier is wit.
    • She will come soon.Ze zal straks komen.
    • I neither smoke nor drink.Ik rook noch drink.
  6. Mijn naam is Wang.

    • It's too expensive!Dat is te duur!
    • I'm very short.Ik ben erg kort.
    • I like to travel.Ik hou van reizen.
  7. Mijn broek is nat.

    • That is the bus stop.Dat is de bushalte.
    • That's the way the cookie crumbles.Dat is het leven.
    • The man is eating bread.De man eet brood.
  8. Moet ik je helpen?

    • Do you feel sick?Voel je je ziek?
    • Do you believe me?Gelooft gij mij?
    • Am I in London?Ben ik in Londen?
  9. Ze werd heel ziek.

    • I am a teacher, too.Ik ben ook leraar.
    • He was very tired.Hij was erg moe.
    • You couldn't choose.Je kon niet kiezen.
  10. Ze kookt voor hem.

    • Don't be afraid.Wees niet bang.
    • The sun is rising already.De zon gaat al op.
    • What a coincidence!Wat een toeval!
  11. Ze staat vroeg op.

    • The price is right.De prijs is juist.
    • She's eating an apple.Zij eet een appel.
    • Turn it off.Zet het af.
  12. Ze had geen broer.

    • It's now or never.Nu of nooit!
    • The clock is fast.De klok loopt voor.
    • He is very learned.Hij is heel geleerd.
  13. Zij had geen geld.

    • She is five years old.Ze is vijf jaar.
    • He sang a song.Hij zong een lied.
    • We are hungry.We hebben honger.
  14. Ze liet haar gaan.

    • We have two ears.We hebben twee oren.
    • I'm not afraid.Ik ben niet bang.
    • I don't have time now.Ik heb nu geen tijd.
  15. Ze woont in Kyoto.

    • I'm in danger.Ik ben in gevaar.
    • It's the big one.Het is de grote.
    • Oh, I was ill.Oh, ik was ziek.
  16. Zij eet een appel.

    • He sat on the bed.Hij zat op het bed.
    • He's always busy.Hij is altijd bezig.
    • Take a look at this.Kijk eens naar dit.
  17. Steek je tong uit.

    • It was just as I thought.Ik wist het wel.
    • The dog is white.De hond is wit.
    • How fast she is running!Hoe snel ze loopt!
  18. Zeg me wat je wil.

    • Turn it off.Zet het af.
    • Please take a seat.Gaat u zitten.
    • I'm in the car.Ik ben in de auto.
  19. Bij voorbaat dank.

    • She needs help.Ze heeft hulp nodig.
    • It would be fun.Dat zou leuk zijn.
    • I forgot it.Ik ben het vergeten.
  20. Dat boek is klein.

    • It costs too much.Het kost te veel.
    • This is the boy.Dit is de jongen.
    • I rather like him.Ik mag hem wel.
BackNext

영어 기초 · 공부법 →