Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden
Pagina 32 van 50 · Kies de juiste vertaling
Heeft hij een hond?
Do you want to be rich?Wil je rijk zijn?What time does it start?Hoe laat begint het?What did he ask you?Wat vroeg hij je?
Eet al wat ge wilt.
It's Monday.Het is maandag.All's well that ends well.Eind goed, al goed.This is good meat.Dit is goed vlees.
Alles komt in orde.
I do not want any money.Ik wil geen geld.She doesn't understand you.Ze begrijpt je niet.I sat next to him.Ik zat naast hem.
Ga door met werken!
You are crazy.Je bent gek.It's me.Ik ben het.It's pretty cold.Het is vrij koud.
Ga terug naar huis.
I felt lonely.Ik voelde me alleen.Close your book.Doe je boek dicht.The soup's very hot.De soep is heet.
Is er iets gebeurd?
And why is that?En waarom is dat?Can you hear me?Kun je me horen?Are you referring to me?Bedoelt u mij?
Heb je lunch gehad?
Are you free now?Heb je nu tijd?Can you hear me?Kun je me horen?What if I am poor?Wat, als ik arm ben?
Heb je een potlood?
Do you meet him often?Ontmoet je hem vaak?Who is this woman?Wie is deze vrouw?Where are my glasses?Waar is mijn bril?
Ken je hem al lang?
What do you want to do?Wat wil je doen?How much is it?Hoeveel kost het?Where does it hurt?Waar doet het pijn?
Hij zei geen woord.
You have to go.Je moet gaan.It's occupied.Het is bezet.I know him.Ik ken hem.
Hij dronk een bier.
This is my friend.Dit is mijn vriend.Let go of me!Laat me los!I neither smoke nor drink.Ik rook noch drink.
Hij wordt snel moe.
My heart is painful.Mijn hart doet pijn.All hell broke loose.De hel brak los.Kill it with fire!Dood het met vuur!
Hij had en dochter.
I feel cold.Ik heb het koud.That's true as well.Ook dat is waar.And a little bread.En een beetje brood.
Hij heeft een auto.
The paper is white.Het papier is wit.We're elected.We zijn verkozen.Life is short.Het leven is kort.
Hij heeft een hond.
This watch is expensive.Dit horloge is duur.The room was warm.De kamer was warm.I like being alone.Ik ben graag alleen.
Hij houdt van eten.
I've said everything.Ik heb alles gezegd.My grandfather was a farmer.Mijn opa was boer.The plan will work out.Het plan zal werken.
Hij gaat je helpen.
The man is eating bread.De man eet brood.I can't swim.Ik kan niet zwemmen.Close your book.Doe je boek dicht.
Hij is zijn vriend.
Life is short.Het leven is kort.I have to go to the bathroom.Ik moet naar de wc.I want a lot more.Ik wil veel meer.
Hij is mijn vriend.
I didn't know that.Dat wist ik niet.It is too hot.Het is te warm.Do as you want.Doe wat je wilt.
Hij is geen dokter.
He was very old.Hij was heel oud.I am sure.Ik weet het zeker.He left just now.Hij is net gegaan.