ShadowingKorean

Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden

Pagina 32 van 50 · Kies de juiste vertaling

▶ Bekijk op YouTube

  1. Heeft hij een hond?

    • Do you want to be rich?Wil je rijk zijn?
    • What time does it start?Hoe laat begint het?
    • What did he ask you?Wat vroeg hij je?
  2. Eet al wat ge wilt.

    • It's Monday.Het is maandag.
    • All's well that ends well.Eind goed, al goed.
    • This is good meat.Dit is goed vlees.
  3. Alles komt in orde.

    • I do not want any money.Ik wil geen geld.
    • She doesn't understand you.Ze begrijpt je niet.
    • I sat next to him.Ik zat naast hem.
  4. Ga door met werken!

    • You are crazy.Je bent gek.
    • It's me.Ik ben het.
    • It's pretty cold.Het is vrij koud.
  5. Ga terug naar huis.

    • I felt lonely.Ik voelde me alleen.
    • Close your book.Doe je boek dicht.
    • The soup's very hot.De soep is heet.
  6. Is er iets gebeurd?

    • And why is that?En waarom is dat?
    • Can you hear me?Kun je me horen?
    • Are you referring to me?Bedoelt u mij?
  7. Heb je lunch gehad?

    • Are you free now?Heb je nu tijd?
    • Can you hear me?Kun je me horen?
    • What if I am poor?Wat, als ik arm ben?
  8. Heb je een potlood?

    • Do you meet him often?Ontmoet je hem vaak?
    • Who is this woman?Wie is deze vrouw?
    • Where are my glasses?Waar is mijn bril?
  9. Ken je hem al lang?

    • What do you want to do?Wat wil je doen?
    • How much is it?Hoeveel kost het?
    • Where does it hurt?Waar doet het pijn?
  10. Hij zei geen woord.

    • You have to go.Je moet gaan.
    • It's occupied.Het is bezet.
    • I know him.Ik ken hem.
  11. Hij dronk een bier.

    • This is my friend.Dit is mijn vriend.
    • Let go of me!Laat me los!
    • I neither smoke nor drink.Ik rook noch drink.
  12. Hij wordt snel moe.

    • My heart is painful.Mijn hart doet pijn.
    • All hell broke loose.De hel brak los.
    • Kill it with fire!Dood het met vuur!
  13. Hij had en dochter.

    • I feel cold.Ik heb het koud.
    • That's true as well.Ook dat is waar.
    • And a little bread.En een beetje brood.
  14. Hij heeft een auto.

    • The paper is white.Het papier is wit.
    • We're elected.We zijn verkozen.
    • Life is short.Het leven is kort.
  15. Hij heeft een hond.

    • This watch is expensive.Dit horloge is duur.
    • The room was warm.De kamer was warm.
    • I like being alone.Ik ben graag alleen.
  16. Hij houdt van eten.

    • I've said everything.Ik heb alles gezegd.
    • My grandfather was a farmer.Mijn opa was boer.
    • The plan will work out.Het plan zal werken.
  17. Hij gaat je helpen.

    • The man is eating bread.De man eet brood.
    • I can't swim.Ik kan niet zwemmen.
    • Close your book.Doe je boek dicht.
  18. Hij is zijn vriend.

    • Life is short.Het leven is kort.
    • I have to go to the bathroom.Ik moet naar de wc.
    • I want a lot more.Ik wil veel meer.
  19. Hij is mijn vriend.

    • I didn't know that.Dat wist ik niet.
    • It is too hot.Het is te warm.
    • Do as you want.Doe wat je wilt.
  20. Hij is geen dokter.

    • He was very old.Hij was heel oud.
    • I am sure.Ik weet het zeker.
    • He left just now.Hij is net gegaan.
TerugVolgende

영어 기초 · 공부법 →