SK ShadowingKorean

Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden

Page 33 of 50 · Choose the right translation

▶ Watch on YouTube

  1. Hij loog tegen ons.

    • I'm able to run.Ik kan lopen.
    • Now I remember.Nu weet ik het weer.
    • Don't leave me by myself!Laat me niet alleen!
  2. Hij woont in Kioto.

    • I will become angry.Ik zal boos worden.
    • Now you're going too far.Nu ga je te ver.
    • I can't talk.Ik kan niet spreken.
  3. Hij houdt van haar.

    • Spring is just around the corner.Het is bijna lente.
    • We don't know her.We kennen haar niet.
    • Nobody understands me.Niemand begrijpt me.
  4. Hij speelde tennis.

    • Ken wants a bicycle.Ken wil een fiets.
    • Yes, I know.Ja, ik weet het.
    • I can't swim.Ik kan niet zwemmen.
  5. Hij zat op het bed.

    • I love you.Ik hou van je.
    • I come from China.Ik kom uit China.
    • Please take a seat.Gaat u zitten.
  6. Hij stopte de auto.

    • I am sure.Ik weet het zeker.
    • I must ride a bicycle.Ik moet fietsen.
    • We speak Japanese.Wij spreken Japans.
  7. Hallo, ik ben Mike.

    • Art for art's sake.Kunst om de kunst.
    • We live in peace.We leven in vrede.
    • You have to go.Je moet gaan.
  8. Hier komt de trein!

    • I see dead people.Ik zie dode mensen.
    • That's my line!Dat was mijn zin!
    • That's true as well.Ook dat is waar.
  9. Hij is haar vriend.

    • Give me the number.Geef mij het nummer.
    • I don't drink water.Ik drink geen water.
    • Knowledge is power.Kennis is macht.
  10. Hij is niet binnen.

    • I have a lot of dreams.Ik heb veel dromen.
    • This is really delicious.Dit is erg lekker.
    • This is for free.Dit is gratis.
  11. Hoe gaat het ermee?

    • Will you help them?Zal je hen helpen?
    • What're you going to do next?Wat ga je nu doen?
    • Who is this guy?Wie is deze kerel?
  12. Waarom zeg je niks?

    • How do you spell your name?Hoe spel je je naam?
    • Are you free now?Heb je nu tijd?
    • Are you satisfied now?Ben je nu tevreden?
  13. Hoe is dat gebeurd?

    • Why am I here?Waarom ben ik hier?
    • Where is your school?Waar is je school?
    • Do you like movies?Hou je van films?
  14. Hoe snel zij zwemt!

    • Wash your face.Was je gezicht.
    • I have ten pens.Ik heb tien pennen.
    • Keep the door open.Hou de deur open.
  15. Hoe lang duurt het?

    • Why is he here?Waarom is hij hier?
    • Why were you late?Waarom was je laat?
    • What time does it start?Hoe laat begint het?
  16. Hoe oud is je zoon?

    • Where are you?Waar ben je?
    • What did the boy say?Wat zei de jongen?
    • Do you have two books?Heb je twee boeken?
  17. Hoe was je weekend?

    • Is that the station?Is dat het station?
    • What is missing?Wat ontbreekt er?
    • What are you looking at?Waar kijk je naar?
  18. Ik ben gek op golf.

    • The dog went away.De hond ging weg.
    • It doesn't matter.Het maakt niet uit.
    • Don't forget about us!Vergeet ons niet!
  19. Ik ben in het huis.

    • I'm crazy about him!Ik ben gek op hem!
    • I'm looking for a job.Ik zoek een baan.
    • This is a law.Dit is een wet.
  20. Ik ben geen leraar.

    • I like cats.Ik hou van katten.
    • You want to kill me.Je wilt me doden.
    • The soup is too hot.De soep is te heet.
BackNext

영어 기초 · 공부법 →