SK ShadowingKorean

Belangrijkste Engelse woorden en spreekwoorden

Page 47 of 50 · Choose the right translation

▶ Watch on YouTube

  1. Mijn werk is gedaan.

    • He is eight.Hij is acht.
    • Do what you like.Doe wat je wil.
    • I'm in the car.Ik ben in de auto.
  2. Niemand begrijpt me.

    • I am a boy.Ik ben een jongen.
    • It looks like an egg.Het lijkt op een ei.
    • He wants the money.Hij wil het geld.
  3. Nu weet ik het weer.

    • They had no food.Ze hadden geen eten.
    • He is no fool.Hij is niet gek.
    • They eat a lot of rice.Ze eten veel rijst.
  4. Ze begrijpt je niet.

    • It is snowing now.Nu sneeuwt het.
    • Take off your shoes.Doe uw schoenen uit.
    • She has short hair.Ze heeft kort haar.
  5. Ze gaf hem zijn jas.

    • It doesn't hurt.Het doet geen pijn.
    • The car is running fast.De auto rijdt snel.
    • The woman is fat.De vrouw is dik.
  6. Zij heeft veel geld.

    • It's already seven.Het is al zeven uur.
    • I'm tired.Ik ben moe.
    • Live and learn.Leef en leer.
  7. Ze heeft mooie ogen.

    • It's too hot.Het is te heet.
    • Thank you very much!Heel erg bedankt!
    • He sat on the bed.Hij zat op het bed.
  8. Ze is mijn vriendin.

    • Wash your face.Was je gezicht.
    • Thank you, Doctor.Dank u wel, dokter.
    • Yes, I'm coming.Ja, ik kom.
  9. Ze is nog niet hier.

    • Close your book.Doe je boek dicht.
    • That is not safe.Dat is niet veilig.
    • Don't forget about us!Vergeet ons niet!
  10. Ze keek naar hem op.

    • I'm a person.Ik ben een persoon.
    • Bob is my friend.Bob is mijn vriend.
    • This is the case.Dit is het geval.
  11. Ze houdt van katten.

    • That was a lie.Dat was een leugen.
    • I love apples.Ik hou van appels.
    • She needs help.Ze heeft hulp nodig.
  12. Ze heeft hulp nodig.

    • I'll leave it up to you.Ik laat het aan jou.
    • The wall has ears.De muur heeft oren.
    • It's pretty cold.Het is vrij koud.
  13. Ze zwaaide me gedag.

    • The earth is round.De aarde is rond.
    • This is my doll.Dit is mijn pop.
    • He drank a beer.Hij dronk een bier.
  14. Ze zal straks komen.

    • That won't work.Dat zal niet werken.
    • I'm going to have a rest.Ik ga wat rusten.
    • That house is mine.Dat huis is van mij.
  15. Ze is nu niet thuis.

    • That is the bus stop.Dat is de bushalte.
    • The plan will work out.Het plan zal werken.
    • It's cold today.Vandaag is het koud.
  16. Ze is maar een kind.

    • This car is fast.Deze auto is snel.
    • I work for you.Ik werk voor jullie.
    • I'm going to take a bath.Ik ga een bad nemen.
  17. Er klopt iemand aan.

    • I have a stomachache.Mijn buik doet pijn.
    • He played tennis.Hij speelde tennis.
    • Hello, I'm Mike.Hallo, ik ben Mike.
  18. Er stinkt hier iets.

    • I am an only child.Ik ben enig kind.
    • The dog is white.De hond is wit.
    • It's not so far.Het is niet zo ver.
  19. De zomer is voorbij.

    • Let me go alone.Laat me alleen gaan.
    • He wanted to be rich.Hij wou rijk zijn.
    • I am going to study.Ik ga studeren.
  20. Doe uw schoenen uit.

    • I play with him.Ik speel met hem.
    • Close the door.Doe de deur dicht.
    • Kill it with fire!Dood het met vuur!
BackNext

영어 기초 · 공부법 →